|
Eisen:
- Leg uit hoe een fototoestel werkt.
- Uitleggen waarom de volgende zaken
belangrijk zijn als je een goede foto wilt maken:
- de afstand tussen het toestel
het toestel en het onderwerp
- belichting
- diafragma
- richting flitsen
- filmgevoeligheid
- scherpte-diepte
- Het verschil tussen spiegel-reflexcamera
en een doorzicht-zoekercamera kennen.
- Met een fototoestel om kunnen gaan:
- filmrolletjes of disc inleggen
en eruit halen
- batterijen verwisselen
- flitsapparaat gebruiken
- weten hoe je het toestel in moet
stellen
- Maak zelf een camera obscura of maak
tenminste 5 fotogrammen.
- Tenminste 18 technisch geslaagde opnamen
maken. bij deze opnamen zijn portret-, dieren-, landschaps-, actie-
en binnenhuisfoto's.
- Maak een fotoreportage (minstens 10
opnamen) van een zelfgekozen onderwerp, bijvoorbeeld je school, een
bedrijf of winkel in de buurt. Maak om het uur een tijdopname vanaf
een punt in je straat. Presenteer dit op een bijpassende wijze aan
je vendel.
- Maak samen met een fotograaf afdrukken
en vergrotingen van je eigen zwart-wit negatieven.
- Weten waar je in jouw woonplaats de
afgewerkte fotochemicaliën en batterijen moet inleveren.
Hulp:
|