|
Eisen:
- Weten hoe kaarten met een stereografische
projectie worden gemaakt. het verschil tussen magnetisch, geografisch
en kaartnoorden kennen. Begrijpen wat het nut is van Rijksdriehoeksmeting
en Normaal Amsterdams Peil en in je omgeving 2 R.D.-punten en 2 N.A.P.-verkenmerken
kunnen aanwijzen.
- De beginselen van het magnetisch kompas
en de daarbij samenhangende afwijkingen begrijpen. 32 windstreken,
gradenverdeling oost-om en west-om en de indeling in duizendsten kennen.
- Weten welke informatie je op de volgende
kaarten kunt vinden: topografische kaarten, fietskaarten, hoogtekaarten,
waterkaarten, luchtvaartkaarten, geologische kaarten en bodemkaarten.
Met drie kaarten kunnen werken.
- De (belangrijkste) kaarttekens en
-synbolen kennen die worden gebruikt op: topografische-, water- of
luchtvaartkaarten.
- Bepaal overdag en 's nachts de tijd
met behulp van de hemellichamen.
- Tijdens een avond-oriëntatietocht
in onbekend gebied oriënteren met een sterrenkaart en maankompas.
- Kies een van onderstaande opdrachten:
- Tijdens een oriëntatietocht met
een trajectlengte van 4 km. alle controleposten binnen 40 minuten
hebben gevonden.
- Tijdens een oriëntatietocht te
water met een trajectlengte van 4 km. alle controleposten binnen
60 minuten hebben gevonden.
- Vanaf een luchtfoto tijdens een
vlucht 2 van de 3 objecten op de grond herkennen.
- Een oriëntatietocht voor je ploeg
maken en tijdens het lopen aanwijzingen over de werking en het gebruik
van het kompas geven.
Hulp:
|