|
Eisen:
- Met iemand in een andere taal een
gesprek kunnen voeren. Daarin iets over Scouting in Nederland vertellen,
de weg kunnen wijzen, boodschappen doen, wat vertellen over de plaats
waar je woont en een van je hobbies.
- De termen uit de Scouting-woordenlijst
in deze taal kennen.
- Verzamel informatie over het land,
de belangrijkste toeristische attracties, leef- en eetgewoonten en
Scouting. Maak hiermee een geïllustreerde brochure.
- Correspondeer 6 ronden met een meisje
of jongen uit dat land.
- Tolk 4 gesprekken van 2 leeftijdsgenoten.
Hulp:
|