|
Eisen:
- Leg uit hoe een thermometer, barometer
en hygrometer werken.
- Bouw drie instrumenten. waarbij je
kunt kiezen uit: hygrometer, regenmeter, windsnelheidsmeter, windwijzer
en zonneschijnmeter.
- Houd gedurende 1 maand dagelijks een
zelfvervaardigd weerrapport bij. Daarin verwerk je jouw waarnemingen
van minstens 5 weersverschijnselen, waarbij je kunt kiezen uit: hoeveelheid
neerslag, luchtdruk, luchtvochtigheid, temperatuur, windrichting,
windsterkte en uren zonneschijn.
- Ga na waar de volksweerkunde op berust.
Ga de betrouwbaarheid van 5 van deze regels in de praktijk na (bijvoorbeeld
spreuken over dagen, of conclusies die uit het gedrag van dieren zijn
af te leiden).
- De belangrijkste klimaten, luchtdruk-
en windsystemen kennen en uitleggen hoe ze elkaar beïnvloeden.
- De 10 hoofdtypen wolkensoorten herkennen
en wten welk weertype zij voorspellen. Weerkundige begrippen zoals
windkracht, schaal van Beaufort kennen.
- Eenvoudige weerkaarten kunnen lezen
en de betekenis van de daarop voorkomende grondsymbolen kennen.
- Breng een bezoek aan een (amateur)weerstation
en bekijk de daar gebruikte instrumenten en registratiemethoden. Breng
aan de hand van een collage, dia's of iets dergelijks hierover een
verslag uit aan je vendel.
Hulp:
|