|
Eisen:
- Boot en tuig 's winters en tijdens
het vaarseizoen onderhouden.
- De volgende zaken kennen:
- de onderdelen van het eigen schip
en de terminologie aan boord
- knopen en steken
- gedragsregels op het water
- het BPR, voor zover dit betrekking
heeft op zeilboten
- De volgende manoeuvres uitvoeren:
- aanleggen, afmeren en afvaren
van hoger wal
- onder alle omstandigheden de juiste
stand en bediening van de zeilen toepassen
- overstag gaan
- gijpen zonder noemenswaardige
koersverandering
- kruisen
- "man-overboord"
- loskomen van aan de grond
- verhalen van het schip
- Bepalen welke manoeuvres je moet gebruiken
om een bepaald punt te bereiken en de sturende werking van fok en
grootzeil beheersen.
- Een globale schatting maken van de
windkracht aan de hand van waarnemingen op het water en op het land.
- Een invallende bui of een opkomend
onweer kunnen zien aankomen en weten hoe je dan moet handelen, zowel
op het water als aan de kant en kunnen reven.
Hulp:
|